Levenscyclus van bladluis
Bladluizen hebben een ingewikkelde levenscyclus, met volwassen exemplaren van dezelfde soort die gevleugeld of ongevleugeld zijn, afhankelijk van de omstandigheden. Een volwassen bladluis zonder vleugels wordt apteer genoemd en een bladluis met vleugels alaat. Alaten hebben twee paar vleugels, waarvan het ene paar veel groter is dan het andere.
Gedurende een groot gedeelte van het seizoen bestaat een bladluizenpopulatie uit levendbarende vrouwtjes. Door de ongeslachtelijke voortplanting zijn alle nakomelingen genetisch identiek aan de moeder. Het zijn dus klonen. Hierdoor kunnen verschillende eigenschappen, zoals kleurvormen of resistenties tegen chemische middelen, naast elkaar blijven bestaan en treedt er geen vermenging op. De jonge bladluizen worden geboren als volledig ontwikkelde nimf en beginnen onmiddellijk met het opnemen van plantensap. Ze groeien snel en vervellen vier keer voordat ze volwassen worden. De opvallende, witte vervellingshuidjes die hierbij ontstaan, kunnen de aanwezigheid van bladluizen verraden.
Er zijn twee typen bladluissoorten: soorten die wel en soorten die niet in de winter van waardplant wisselen. Soorten die van waardplant wisselen, planten zich ongeslachtelijk voort op hun zomerwaardplant en verhuizen in het najaar vervolgens naar hun winterwaardplant, waarop ze zich geslachtelijk voortplanten en eieren leggen die overwinteren. De zomerwaardplanten zijn kruidachtige of houtige gewassen, terwijl de winterwaardplanten houtig en winterhard zijn. Ook de bladluizen die niet van waardplant wisselen, paren in het najaar en leggen eieren die daarna overwinteren. Wanneer er sprake is van paring en eileg, wordt de ontwikkeling holocyclisch (volledig) genoemd. In de kas wisselen bladluizen vaak niet van waardplant en leggen ze geen eieren. Dan planten ze zich ook in de winter ongeslachtelijk voort, waarbij onbevruchte levendbarende vrouwtjes nieuwe generaties met vrouwtjes voortbrengen. Dit wordt een anholocyclische (onvolledige) ontwikkeling genoemd. In sommige kasgewassen met zeer lage wintertemperaturen (bijv. aardbei) blijken bladluizen soms wel eieren te leggen.